Tibetdoc

Accueil du site > Nederlands > Religie > Religie algemeen > Boeddhisme en Islam

Boeddhisme en Islam

vendredi 25 juillet 2014

Op 6 juli 2014 meldt AFP dat "De Dalaï Lama de boeddhisten oproept om het geweld tegen moslims te stoppen". Dat zijn mooie woorden. In de hoop dat hij consequent zal zijn en dus ook de analyse maakt van het Tibetaanse boeddhisme en zijn - niet zo vreedzame - relaties met de Islam vroeger en nu, maken wij die analyse reeds hier.

Voir en ligne : artikel van AFP

Historische context van de rivaliteit tussen moslims en boeddhisten

De rivaliteit tussen moslims en boeddhisten is een lang verhaal. Hier de beknopte versie...

Kort na de dood van Mohammed in 632ad begint de Islam aan zijn veroveringen. De eerste grote uitbreiding naar het oosten bevestigd zich in 751 in Talas, op het plateau van Ferghana, met een overwinning van de moslims op het Tang China. De Islam vestigt zich daarop in de hoogplateaus van Centraal-Azië en versterkt zijn legers met het oog op een nieuw offensief richting Zuidoost-Azië. Van de achtste tot begin elfde eeuw ondergaat Noord-Indië de ene inval na de andere. Ze slagen erin om de lokale religies sterk te verzwakken : het hindoeïsme en ook het boeddhisme die toen vooral in zijn tantrische vorm voorkwam in de regio.

Net op dat moment, in het begin van de elfde eeuw, "openbaart" zich op miraculeuze wijze een nieuw geschrift : de "Kalachakra tantra". Hij zal snel een centrale plaats innemen tussen de boeddhistische tantras en zal zelfs één van de grondteksten van het Tibetaans boeddhisme worden. Deze heilige tekst voorzag een betere toekomst voor boeddhisten, verborgen voor de vijanden van Boeddha in een land ten noorden van Indië, het "land van Shambala". Voor het eerst in zijn geschiedenis wordt de Dharma gesitueerd buiten zijn land van oorsprong. Op die manier wordt Tibet, verborgen achter de Himalaya bergketen, het schrijn van de kostbare leer van Boeddha en het toevluchtsoord van talrijke Indische tantrische meesters. Deze laatsten Deze laatsten brengen het dan bijna uitgedoofde boeddhisme weer tot bloei op het hoogplateau van Tibet. Dankzij dit tijdperk, de "Renaissance van het Tibetaanse boeddhisme" genaamd, neemt deze zijn spirituele, maar ook politieke hoofdrol aan. Het bereidt zich voor om effectief een millennium van feodale heerschappij en donkere horigheid, die tot het midden van de twintigste eeuw zal deuren, te onderbouwen.

De Kalachakra voorspelt eveneens dat de soldaten van Boeddha in de vijfentwintigste eeuw een immens leger zullen vormen onder aanvoering van de vijfentwintigste Kali, de koning van Shambala. Deze koning, de reïncarnatie van Maitreia, de Boeddha van de toekomst, is voorbestemd om de krachten van het kwaad te overwinnen. Een laatste oorlog zal plaatsvinden, zo zegt de tekst, waar de niet-moslims in opstand komen tegen de moslims en ons tijdperk naar een apocalyptisch einde brengt. Een deel van de tekst is een expliciete oproep tot een heilige oorlog tegen de Islam, met een zeer gedetailleerde beschrijving van de verschrikkelijke wapens die daarbij gebruikt worden. De Kalachakra, ’ontdekt’ in een tijdperk waar de moslimlegers ravage aanrichtten in Punjab en op de zijderoute, wordt gekenmerkt door een bijzonder hevige haat tegenover de ’onmensen uit Mekka’.

De voorspellingen van de Kalachakra kunnen begrepen worden vanuit de context van die tijd. De aanhangers van Mohammed hadden grote vernielingen aangericht in kloosters en boeddhistische gemeenschappen in het noorden van Indië. Bovendien lijkt de leer van Mohammed, beschreven in de Koran, toegankelijker dan het complexe boeddhisme dat door een kleine elite vertegenwoordigd werd. Het gevolg is dat een groot deel van de lokale bevolking zich bekeerde tot de Islam.

Verder voegt de Kalachakra tantra toe dat "de toegang tot het paradijs gegarandeerd is voor zij die gedood worden tijdens de strijd voor Shambala’. Op die manier zijn zelfmoordaanslagen niet langer gereserveerd voor de islamitische strijders alleen. Noteren we ook dat de Kalachakra nog andere "vijanden van het boeddhisme" met naam en toenaam noemt. In alfabetische volgorde om niet voor jaloezie te zorgen : Abraham, Adam, Henoch, Jezus, Mani, Mathani en natuurlijk Mohammed. De drie grote godsdiensten, Jodendom, Christendom en Islam zijn zo verenigd. De boodschap van vrede en tolerantie is zeker de sleutel tot de schatkamer van het boeddhisme, maar in die schatkamer zijn ook enkele zeer duistere hoeken !

Moslims in Tibet

Na de overwinning van de moslims in Talas in 751 komen er meer en meer moslimgemeenschappen zich in het verre westen van China vestigen. In Xinjiang, Xizang (Tibet) en zelfs tot in Chang An, de toenmalige hoofdstad, nu Xi’an genaamd. De Tang dynastie is gekend voor zijn tolerantie tegenover andere culturen. Zo kunnen ook verscheidene religies zich verspreiden onder hun goedkeuring. Het lot van de moslims die sedert die periode in Tibet wonen kent echter een noodlottige wending met het aanbreken van de "Renaissance van het Tibetaanse boeddhisme" en zijn Kalachakra. Op de tangkas kan men deze moslims vinden, verpletterd onder een heilige koe, symbool van het hindoeïsme, die op zijn beurt onder de voet van een beschermgod van de Dharma ligt. De moskeeën worden verwoest en het wordt verboden om er nieuwe te bouwen of de Islam te beleiden. Dit verbod was van kracht tot de zeventiende eeuw wanneer de Mantsjoe Qing dynastie zich opnieuw meer inlaat met Tibet en de grenzen van China uitzet. Zo wordt Tibet formeel één van de achttien provincies van China. De Qing wijzen Tibet de status van protectoraat toe, met een autonome regering en decreteren een burgerlijke codex voor Tibet die van toepassing zal zijn tot 1959. Tijdens hun bewind wordt de "grote moskee van Lhasa" gebouwd en wat later de twee andere, een teken van ietwat meer godsdienstvrijheid dan in de voorafgaande periode. Maar het betreft eerder een administratieve vrijheid dan een verandering in houding en geloof. Getuige daarvan de voortdurende confrontaties tussen Tibetanen en moslims die zelfs de laatste jaren nog vaak voorkomen in de provincies Gansu, Sichuan, Qinghai en Tibet, maar die jammer genoeg maar zelden de media halen.

Men spreekt er niet graag over om het imago van een "harmonieuze samenleving waar talrijke minoriteiten samenleven" niet te beschadigen. Nochtans waren een groot aantal van de winkels en restaurants die in maart 2008 door de oproerkraaiers in Lhasa aangevallen en vernield werden eigendom van moslims. Een groep jonge Tibetanen probeerde zelfs om de Grote Moskee aan te vallen en slaagde erin om in de inkomhal brand te stichten. Deze vernielzuchtige daden werden aangestoken door Tibetanen, waaronder ook Lamas, die groepen jongeren in de straat organiseerden en aanmoedigden tot geweld. Deze jongeren droegen rugzakken met stenen, messen en Molotov cocktails. De dertien personen die tijdens deze rellen de dood vonden waren allen burgers en voor het merendeel Chinese moslims. Levend verbrand of dood geslagen. De jonge Tibetanen namen ook scholen, hospitalen, hotels, banken en de groothandelsmarkt van Tsomtsikhang, waar talrijke winkels van moslims gevestigd zijn, onder handen. Slagerijen werden ook geviseerd, gezien deze immers bijna uitsluitend door moslims uitgebaat worden. Het boeddhisme verbiedt immers het doden van enig levend wezen. Maar naast Tsampa, uien en thee met yakboter neemt ook het yak vlees een hoofdplaats in in de voedselvoorziening. De moslims waren dus niet vrij om hun religie te beleiden, maar wel ’gedoogd’ om het slachten voor zich te nemen.

Bestaat er een Tibetaans nationalilsme ?

De Tibetaanse gemeenschap in ballingschap laat zich niet uit over het onderwerp van Tibetaans nationalisme. Men heeft immers een tolerant imago hoog te houden. Nochtans stijgt de spanning binnen de gemeenschap tussen de "gematigden", waaronder de veertiende Dalaï Lama, en de "extremisten" die het "Groot Tibet" willen ontdoen van alle andere nationaliteiten. En onder "Groot Tibet" verstaan de Tibetaanse nationalisten een goed kwart van het grondgebied van China, vier maal zo groot als Frankrijk. Er wonen zes miljoen Tibetaanen verdeeld over de provincies Sichuan, Yunnan, Gansu, Xinjiang, Qinghai en Xizang (Tibet). Zijzelf willen verre van allen de onafhankelijkheid van Tibet. Op economisch gebied heeft China hen immers veel meer gebracht dan ontnomen. In vijftig jaar tijd is het aantal Tibetanen er driemaal zo groot geworden dankzij verbeterde medische zorgen en vooruitgang in de agriculturele, industriële en tertiaire sector. Die laatste wint trouwens pijlsnel aan belang door het toerisme dat zich ontwikkeld met de hogesnelheidslijn van Peking naar Lhasa. Sedert de jaren tachtig kan de cultuur en het geloof in Tibet vrijelijk beleefd worden. De kinderen zijn tweetalig. Er werden zelfs instituten voor tibetologie geopend voor jonge Tibetanen. Kloosters nemen opnieuw lamas aan (soms zelfs minderjarigen hoewel dat door de Chinese wet verboden is). En in de straat laten de gelovigen met graagte hun gebedsmolens draaien. Zonder de huidige stand van zaken in Tibet te willen verheerlijken - er is nog steeds schrijnende armoede op het platteland, er is een grote immigratie van Han, Yi, Miao en andere minoriteiten die de steden instromen, er is de overbegrazing door het toegenomen aantal yaks welks tot woestijnvorming op het hoogplateau leidt, het daaruitvolgende probleem van de hoeders die zich gedwongen zien om zich blijvend te vestigen, enz. - maar toch moet men zich heel goed afvragen waar nu die "culturele genocide" is waar onze goedmenende linkse geesten het zo vaak over hebben. Een meerderheid van de Tibetanen in China trekt zich niets aan van de Tibetaanse gemeenschap in ballingschap. Voor hen vertegenwoordigt die gemeenschap een gevaar van destabilisatie, wat ook blijkt in de rellen die regelmatig door de Tibetaanse nationalisten georganiseerd worden.

De woorden die de veertiende Dalaï Lama dus tijdens het feest ter ere van zijn negenenzeventigste verjaardag uitsprak lijken dus eerder bedoeld om het tolerante en meedogende imago, het handelsmerk van het Tibetaanse boeddhisme te versterken. We kunnen zijn initiatief enkel toejuichen en hopen dat hij vaker het geweld veroordeelt, ook als dat van zijn gemeenschap komt. Maar zoals de Pangdung Rinpoche van het klooster van Sera, tegenwoording in ballingschap in Munchen zegt : "door het Tibetaanse boeddhisme te commercialiseren doet de Dalaï Lama meer kwaad aan de Tibetaanse cultuur dan de Chinese regering." Wat in het artikel ook verbazing opwekt is de uitspraak van de Dalaï Lama dat "Als de Boeddha daar is, hij de moslims zal beschermen van aanvallen door boeddhisten". Hoe moeten we dat interpreteren ? Dat is alsof paus Gregorius IX ten tijde van de inquisitie zou zeggen : "Als Jezus er is, zal de ketters niets ernstigs overkomen". Men vraagt zich af of dit cynisme is of een teken van ouderdom ?

Gelukkig was er ook nog Richard Gere die het niveau van de ceremonie in Leh wat opgetrokken heeft. Laat ons hopen dat de duizenden buitenlandse bewonderaars in wiens naam hij gelukwensen overbracht de Dalaï van de vrede nadat ze zich voor zijn purperen en saffraankleurige geloofsgewaad op de grond werpen het hem niet ontnemen, zoals velen van hun wel bij ons aan moslims vragen om de hijab weg te nemen als ze willen werken.

Elisabeth Martens 20/7/2014


Suivre la vie du site RSS 2.0 | Plan du site | Espace privé | SPIP | squelette